Ik word een beetje sterker. Vanavond heb ik mezelf kunnen rechtop zetten op de kant van het bed, een hele prestatie vond ik dat. Ik kan mezelf nu eindelijk ook ‘verleggen’ in bed. Het is vreselijk als je zelfs daarvoor hulp nodig hebt. En ik heb deze ochtend de verpleegster verrast door gezwind mijn benen uit bed te zwieren en mezelf in mijn rolstoel te laten glijden. En een discussie gehad over het feit dat ik vind dat ik niet snel genoeg genees.
“Maar ge zijt hier nog maar drie weken!” riposteerde ze. En “de anderen zouden hier allemaal content zijn mocht het bij hun ook zo zijn.”
“Ja, maar IK ben hier in tegenstelling tot de meeste anderen binnen gewandeld voor een short stayke van vier lousy dagen en intussen is het al acht weken. En besides, ze zeggen hier constant dat je jezelf niet mag vergelijken met anderen.”
“Da’s ook just.”
Deze namiddag moest ik even terug naar K12 om plakken te laten pakken. Een CAT-scan, of Computed Tomography beeldje van mijn nek, om te zien of de botenten ‘gepakt’ hebben en alles goed vastgegroeid is. Fingers crossed! Ze zijn me om 14h45 komen halen in mijn bed om me dan met de ondergrondse pakjesdienst te verschepen naar het andere gebouw, alwaar ik om 16h in de scanner moest. Let wel, veel tijd was er niet over. En het gaat hier over een afstand van, bovengronds, +/- 250 meter. Dan heb ik een minuut of vijf in de scanner doorgebracht, en om 17h15 was ik terug op mijn kamer. Sorry, maar zelfs ik was er te voet sneller geweest. De ondergrondse pakjesdienst geeft een mens een warm gevoel: de transportmannen horen roepen “ik heb nog een beddeke en een rolstoelke voor de K12″ zonder je ook maar een blik of een goeiendag te gunnen, dat geeft het warme gevoel van een dronkaard die tegen je been staat te zeiken.